Geschiedenis van de brandweer (Jeugd)

 

Inleiding
Wetgeving
De brandspuit
Jan van der Heiden
De organisatie van de brandweer
Stoommachines
De benzinemotor
Brandmelding en verbindingen
De tweede wereldoorlog
Na de oorlog

 

Inleiding

Vandaag de dag is alles goed geregeld op het gebied van de brandweer. Is er brand, dan is de brandweer binnen enkele minuten 'ter plaatse'. Maar hoe ging dat vroeger?

 

De brandweer vroeger
De brandweer vroeger
Het heeft tot aan de zeventiende eeuw geduurd voordat de mensen daadwerkelijk wat tegen brand gingen doen. Dat klinkt misschien wat vreemd, maar voor de zeventiende eeuw zag men een brand slechts als 'straf van God'. Daar valt natuurlijk niets tegen te doen. Als er brand uitbrak op een afgelegen boerderij of alleenstaand huis, was de schade vrij beperkt. Rond 1300 veranderde er iets: de handel en nijverheid kwamen sterk opzetten waardoor er (kleine) steden ontstonden. De huizen werden dichter op elkaar gebouwd. Omdat in die tijd veel huizen van hout waren gemaakt, was het uitbreken van een brand bijna altijd rampzalig. De brand kon gemakkelijk overspringen van het ene huis naar het andere met als gevolg dat hele steden in brand konden staan. Dat die branden snel uitbraken is geen wonder: veel huizen hadden geen schoorsteen (een gat in het dak leek de stedelingen wel voldoende) en bedrijven als smederijen en bakkerijen (waar veel met vuur werd gewerkt) maakten hun opmars. De schouten deden hun uiterste best om de mensen schoorstenen te laten bouwen, maar van een wettelijke verplichting was nog geen sprake.

Wetgeving

Naast al deze onveilige omstandigheden, was het ook aan de mensen zelf te wijten dat er vaak brand uitbrak. Van brandpreventie had uiteraard nog niemand gehoord. In de steden, waarin materialen als hout, stro en zelfs buskruit lagen opgeslagen, namen de inwoners het niet zo nauw met de brandveiligheid. Het was niet zozeer dat ze onverschillig waren, maar het was meer onbegrip.

Eindelijk werd in 1521 een stap in de goede richting gezet. Karel V vaardigde in dat jaar een ordonnantie (dat is een soort wet) uit, waardoor het bouwen van huizen anders dan van steen verboden werd. Een stap in de goede richting dus, maar het effect was zeker niet optimaal. In de grote steden hield men zich enigszins aan die wet, maar in de kleinere steden en dorpen lapte men hem aan de laars. De voornaamste reden was geld. Het was in die tijd veel goedkoper om een huis te bouwen van hout dan met steen. Vooral havensteden of dorpen, waar de houthandel het levendigst was, werden nog gewoon houten huizen neergezet. In de steden waar wel geprobeerd werd de wet na te leven, was de controle daarop minimaal. Ook hier miste de wet zijn uitwerking behoorlijk. De branden braken dus nog volop uit. Na elke brand schrok het stadsbestuur even wakker en vaardigde meteen nieuwe regels uit. Maar ook dit zette, dankzij het gebrek aan controle, geen zoden aan de dijk.

Naast de regels die eigenlijk alleen betrekking hadden op de bouw en de beperkingen die de mensen werden opgelegd ten aanzien van de opslag van brandgevaarlijke stoffen (zoals hout, stro en buskruit), waren er ook voorschriften over hoe 'de burger' moest handelen in geval van brand en het brandweermateriaal (aantallen emmers, ladders etc.) dat per wijk aanwezig moest zijn. Van echt organiseren was geen sprake: de burger werd slechts verplicht om bij brand alarm te slaan door luidkeels 'brand!!' te roepen en 'de handen uit de mouwen te steken'.

De benadering van de bluswerkzaamheden week ook behoorlijk af van wat de brandweer vandaag de dag doet. Aan de brand zelf (de vuurhaard) werd nauwelijks aandacht geschonken. De middelen en tactieken om het vuur te bestrijden schoten daarvoor ernstig te kort. Men lette hoofdzakelijk op het beperken van de schade en uitbereiding van de brand. De daken van de huizen in de omgeving werden afgedekt met natte zeildoeken om uitbereiding te voorkomen.
 

De brandspuit
 

 
Het blussen van een brand was een frustrerende bezigheid. Het enige wat er in die tijd aan materiaal voor handen was, waren de emmertjes. Het waren gewone houten (en eenmaal nat, loodzware) emmers. Het was al een aanzienlijke verbetering toen de houten emmertjes vervangen werden door leren emmertjes. Het waterverlies en het gewicht van de emmers namen behoorlijk af. Maar nog steeds schoot het blussen met de emmertjes niet erg op.
Blusemmers

 
Brandweerspuit op wagen
Brandweerspuit op wagen
Op 11 juni 1614 kwam er een grote doorbraak. Het eerste octrooi (een soort bewijs voor een uitvinder dat hij alleen de bedenker is) op een brandspuit werd door de Staten Generaal verleend. Het octrooi werd aangevraagd door Pauwels Auleander. Auleander noemde zijn uitvinding een wonderspuit en had meerdere toepassingen voor de spuit verzonnen. Naast het blussen van een brand zou de spuit ook een vijandig schip kunnen uitschakelen. Het water dat van de zeilen afdroop kon de ontstekingslonten van de musketten en kanonnen nat maken. Het was wellicht een prima idee, maar een succes werd het niet. De grote steden Amsterdam en Leiden hadden weinig zin om veel geld daarvoor uit te trekken.

Na deze eerste octrooiaanvraag op de brandspuit volgden er uiteraard meer. Zo hier en daar verschilden de brandspuiten wat van elkaar, maar het basisprincipe bleef gelijk. De meeste brandspuiten uit die tijd bestonden uit een grote bak van hout of metaal, rond of rechthoekig van vorm. In de bak waren twee zuigpompcilinders geplaatst die met de hand bediend moesten worden. Die cilinders zorgden ervoor dat het water in een buis werd geperst waaraan een straalpijp (een soort waterkannonetje) was vastgemaakt. Met die straalpijp werd op het vuur gericht. De grote bak moest met emmertjes volgegooid worden met water. Op zich waren deze brandspuiten een behoorlijke verbetering ten opzichte van de 'emmertjes-methode', maar een echt effectieve manier van brand blussen kwam pas in de tijd van Jan van der Heiden.

Jan van der Heiden
Jan van der Heiden
Jan van der Heiden

Jan van der Heiden werd op 15 maart 1637 geboren in Gorkum. Toen hij twaalf jaar was, verhuisde hij naar Amsterdam. Daar ontwikkelde hij zich niet alleen tot kunstschilder, maar ook tot groot technicus en uitvinder. Tot 1672 maakte men vooral gebruik van de zogenaamde 'Hautsch-spuit': een door Johann Hautsch ontworpen brandspuit. Er zaten duidelijke nadelen aan de spuit: het was een groot, log geval, waarvoor tientallen mannen nodig waren om hem te verplaatsen. Daarnaast moest de spuit zo dicht mogelijk bij de brandhaard worden geplaatst, waardoor er bij instorting van het brandende gebouw vaak slachtoffers vielen.

Dit alles irriteerde Jan van der Heiden enorm. Samen met zijn broer Nicolaes ging hij aan de slag en bracht aanzienlijke verbeteringen aan op de 'Hautsch-spuit'. Als eerste verbetering bracht hij een leren slang aan tussen de pomp en de straalpijp. Door die leren slang werd het mogelijk om het bluswater op de juiste plaats te brengen: de brandhaard. Er hoefde dus niet meer van grote afstand 'gemikt' te worden; de brand kon op een veel mobielere manier geblust worden.

 

brandweerspuit
brandweerspuit
Op de tweede plaats boog hij zich over de watertoevoer. De eerste spuiten moesten gevuld worden met emmertjes water, voordat er water gespoten kon worden. Omdat het aandragen van dat water meestal langer duurde dan het leegspuiten van de pomp, werkten de spuiten bijna nooit op maximale capaciteit. Jan van der Heiden maakte een grote, linnen waterzak met een slang en schraagpomp daaraan vast. De linnen waterzak kon veel dichter bij het water worden gezet. In eerste instantie werd het water met behulp van de bekende emmertjes in de waterzak gegoten, maar in een later stadium werd een hulppomp aan de waterzak bevestigd. Het water werd zo in de waterzak gepompt en doorgegeven aan de brandspuiten. Nog later werd de waterzak in zijn geheel overbodig. Aan de schraag zelf werd een hulppomp bevestigd waardoor het water direct uit de gracht gepompt kon worden. Voordat Van der Heiden deze uitvinding op de markt bracht, waren er echter al weer vijftien jaar verstreken.

Jan van der Heiden was een ook een zakelijk ingesteld man. Om zijn revolutionaire pompen aan de man te brengen, maakte hij in 1690 een soort reclameboek. In dat boek stonden 25 pentekeningen van hemzelf.

De organisatie van de brandweer

Vroeger liet ook de organisatie van de brandweer enorm te wensen over. Zoals eerder vermeld was er voor de ordonnantie van 1521 weinig of geen regelgeving op het gebied van brandbestrijding of preventie (voorkoming). Van iedereen die zich in de buurt van een brand bevond, werd verwacht mee te werken en de mouwen op te stropen, maar meer dan dat gebeurde niet. Wel was het zo, dat bepaalde gilden (dat waren een soort vakbonden voor mensen met een zelfde beroep), meestal gilden die zwaar handwerk verrichten, de taak van het brandblussen toegeschoven kregen. Echt blij waren die mensen er niet mee. Ze zagen de taak niet als een eer, maar meer als een last.

Het was weer Jan van der Heiden, die de noodklok luidde: hij vond dat het brandweerwezen beter georganiseerd moest worden. In een brief aan het Amsterdamse stadsbestuur (1678) beklaagde hij zich over de slappe houding van de gilden. Als voorbeeld haalde hij een recent geval aan van 'gildenbroeders' die op hun gemak een borrel aan het drinken waren in een kroeg, waarvan de bovenste verdieping in brand stond. Door de gebrekkige organisatie was er grote onduidelijkheid over wie nu de pompen moest halen en op deze manier wachtten de heren op de spuit.

Het stadsbestuur van Amsterdam nam de klachten van Jan van der Heiden erg serieus en gaf hem, en zijn broer Nicolaes, de opdracht het brandweerwezen in Amsterdam flink te reorganiseren. Als gevolg van deze reorganisatie werd in 1685 de brandkeur (verordening) behoorlijk veranderd. Op het gebied van de brandweer werd Amsterdam op dat moment zeer toonaangevend. De Amsterdamse brandweerkeur staat dan ook als model voor alle andere steden van de Verenigde Nederlanden en haar koloniale vestigingen.

Jan van der Heiden stelde twee begrippen centraal: discipline en organisatie. Door de aankoop van de nieuwe spuiten werd de drang naar een goede organisatie alleen maar groter. Er was behoefte aan vast personeel om de spuit te bedienen en niet meer afhankelijk te zijn van de 'goede burger' die een handje meehielp. Het opperbevel kwam in handen van twee generale brandmeesters en elke brandspuit kreeg twee brandmeesters als 'chef'. De brandmeesters droegen aan hun meerderen diegenen voor, die met de bediening van de spuit belast zouden worden. Je zou het niet denken, maar voor het bedienen van zo'n spuit waren veel mensen nodig: gemiddeld 36 per spuit, die elkaar om het kwartier aflossen. Het voordragen van het 'spuitpersoneel' was eigenlijk meer mensen een verplichting opleggen; er kwam een zwaar boetestelsel voor 'weigeraars' en de beloning voor het gevaarlijke werk was minimaal. Daarnaast zagen de rijke stedelingen kans om zich los te kopen. Het kwam er dus op neer dat de arme, zeg maar arbeidersklasse, de lasten van het brandblussen bijna geheel op zich nam, maar ook een kans kreeg op een bijverdienste. Deze lagere manschappen werden 'geaffecteerden' genoemd en hoefden dus niet bij de schutterij te dienen (ze hoefden niet constant op de kazerne aanwezig te zijn). In principe waren zij dus oproepkrachten.
 

 

Penning 1
Penning 1
Penning 2
Penning 2
Iedere'geaffecteerde' kreeg een koperen penning, met daarop hun nummer. Bij opkomst moest deze penning afgegeven worden. Op deze manier viel te controleren wie afwezig of te laat was. Was dat het geval, dan volgde er een boete. Er werd ook het één en ander gedaan om de manschappen te motiveren. Zo had de brandmeester bijvoorbeeld een penning met een gat erin. De mensen die hun penning hadden afgegeven voordat de penning met het gat aanwezig was, kregen meer uitbetaald. Je snapt dat iedereen daardoor zo snel mogelijk aanwezig wilde zijn. Ook werden er premies uitgeloofd voor die spuiten die het eerst begonnen met spuiten. Natuurlijk een goed idee, maar in praktijk ging het wel eens mis; bepaalde groepen schrokken er niet voor terug om de spuit van andere groepen te saboteren om zo de premie in de wacht te slepen. De premies moesten worden opgebracht door degene, wiens huis door de brand getroffen werd. Daarbij werd er van uitgegaan, dat een brand nooit per ongeluk kon ontstaan, maar dat er altijd wel iemand een foutje of overtreding had begaan.

De stedelijke overheden bleven op zoek naar andere vormen van organisatie. In Leiden kwam men op het idee om een weeshuis te voorzien van een brandspuit. In 1769 werd daar het besluit toe genomen. Dit hield in dat het weeshuis 5 brandmeesters kreeg toegewezen, die op hun beurt de bemanning van de brandspuit konden kiezen uit de weeskinderen. Brandmeesters van een aantal andere plaatsen waar ook spuiten waren, konden ook beroep doen op de weeskinderen. Het lijkt allemaal een beetje op kinderarbeid, maar toendertijd was het vrij normaal. De jongens zelf vonden het ook niet erg, sterker nog, ze zagen het als een grote eer. Op den duur leverde deze slimme oplossing steeds meer problemen op. De weeshuizen raakten steeds leger en vooral de 'potige knapen' raakten steeds meer in ondertal. Veel jongens kwamen om bij de bluswerkzaamheden. Daarbij kwam dat de jongens, als er geblust moest worden, er meestal half of dun gekleed bij liepen. Dit veroorzaakte veel ziekte. Het leidde er uiteindelijk toe dat vanaf 1921 geen gebruik meer gemaakt werd van het Weeshuis.

Net als in het weeshuis werden bij allerlei instellingen brandspuiten geplaatst. Zo ook in de Oranjekazerne in Den Haag. Er ontstonden dus allerlei aparte eenheden die zich met het brandblussen gingen bezighouden. Omdat ook hier het premiesysteem werd ingevoerd (de spuitgasten die het eerst bij een brand aanwezig waren, kregen een premie) ontstonden er vreemde situaties. De verschillende groeperingen reden elkaar constant in de wielen en schroomden niet om elkaars slangen door te snijden om zo de premie binnen te slepen.

Om deze wantoestanden uit te bannen, besloot men al in de vorige eeuw om de zogenaamde geaffecteerden te vervangen door vrijwilligers. In tegenstelling tot de geaffecteerden kwamen deze vrijwilligers vooral uit de wat rijkere burgerij zoals middenstanders. Deze (rijkere) klasse had er natuurlijk flink baat bij dat de brandschade beperkt bleef: zij hadden iets te verliezen. Ook familieleden van commandanten raakten enthousiast voor de bluswerkzaamheden. De verhalen die zij van ooms of vaders hoorden, zorgden ervoor dat de familieleden stonden te springen om een vrijwilligerscompagnie op te zetten. Waar de geaffecteerden het blussen als een verplichting zagen en het eigenlijk alleen voor drinkgeld deden, streden de 'nieuwe vrijwilligers' vooral voor de eer.

Voorloper op dit gebied was Haarlem. De stad schakelde zijn brandweerorganisatie om in een geheel vrijwillige brandweer die het bluswerk geheel 'pro deo' (dat wil zeggen zonder kosten voor het 'slachtoffer') verrichten. Het was zelfs zo, dat het materiaal voor een groot gedeelte uit eigen zak betaald werd. Na 1851 volgden meer gemeentes met het overgaan tot vrijwillige korpsen.

Toch bleek dat de vrijwilligers, hoe goed de bedoelingen ook waren, dit niet meer aan konden. Daarom besloot de Amsterdamse overheid in 1874 een kleine groep betaalde beroepsmensen in te stellen. De eerste beroepsbrandweer was een feit. Geaffecteerden en vrijwilligers werden naar huis gestuurd. De organisatie van beroepsbrandweer werd op een militaire manier aangepakt, met een strakke discipline. Commandant werd Steenkamp, een oud legerofficier. Hij rekruteerde vooral matrozen van de koopvaardij en oud-marine mensen. Voordeel van die keuze was dat deze mannen goed konden klimmen, niet bang voor water waren en gewend waren aan het lang van huis blijven. Dat was geen overbodige luxe als je naar de diensttijden kijkt die ze hadden: 5 maal 24 uur achteréén dienst. Ook geschoolde handwerkslieden, zoals schoenmakers en koetsiers kwamen in aanmerking om brandwacht te worden. De begintijd van de beroepsbrandweer was geen gemakkelijke tijd. De geaffecteerden en vrijwilligers die nu plotseling aan de kant gezet waren, koesterden zo nu en dan de nodige wraakgevoelens. Het gevolg van die gevoelens was, dat er vaak valse brandmeldingen binnen kwamen en af en toe bij het uitrukken wel eens wat naar het hoofden van de beroepsmensen werd geslingerd (een steen of paardevijg). Toch werd het langzamerhand wel duidelijk dat het optreden van de beroepsbrandweer zeer vakkundig was en de onderlinge strijd om de premies tot het verleden behoorde.

In navolging van Amsterdam gingen steeds meer grote steden over tot het aanstellen van een beroepsbrandweer. Den Haag volgde in 1889 en Groningen in 1910. Desondanks bestaat de brandweer tot op heden hoofdzakelijk uit vrijwilligers.

De brandweer groeide, net als de steden en het aantal inwoners, maar er is sprake van ongelijkheid binnen de organisaties. Er waren politieagenten als brandweerfunctionarissen, vrijwillige brandweerlieden, gemeentewerklieden als spuitgasten, plichtbrandweer, brandweer onder een verzekeringsmaatschappij en particuliere (bedrijfs)brandweren. Vrij onoverzichtelijk allemaal, waardoor de brandweercommandanten de behoefte kregen het brandweerwezen wat duidelijker en overzichtelijker te maken.

De commandant van Den Haag, C.F.H. Tuckermann en de commandant van Leiden, J.C. Stam waren de eersten die een stap in die richting deden. Zij richtten de 'Nederlandsche Brandweer Vereeniging ' op. Op 17 april 1917 vond de oprichtingsvergadering plaats en al snel werd er koninklijke goedkeuring aan de vereniging gegeven. De vereniging werd een overlegorgaan van brandweertechnici. Op dit moment bestaat deze vereniging nog steeds onder de naam 'K.N.B.V.' (Koninklijke Nederlandse Brandweer Vereniging), maar de leden zijn nu in plaats van brandweertechnici de regionale brandweren.
 

eerste stoomspuit
eerste stoomspuit
Stoommachines

Ook op het gebied van het materieel is er in de loop der tijd een hoop veranderd. Tot 1850 gebeurde er niet veel. De slangenbrandspuit werd wel verbeterd, maar de echte grote verandering kwam pas in 1866: de invoering van de stoomspuit.

In 1769 werd door James Watt de stoommachine uitgevonden. Dit luidde een nieuw tijdperk in: de 'industriële revolutie'. Ook de brandweerwereld sprong hierop in. In 1831 werd in Londen de eerste stoomspuit geproduceerd. Pas in 1866 namen Rotterdam en Amsterdam de stoomspuit in gebruik.

Maar wat was nu het grote voordeel van deze stoomspuit? Het belangrijke voordeel was dat de capaciteit veel groter was dan die van de handbrandspuit. Die handbrandspuit had 10 pompers, die samen gemiddeld 150 liter water per minuut verspoten met een druk van 2 tot 3 bar (eenheid van luchtdruk). Met de stoombrandspuit kon men 1500 liter water per minuut spuiten met een druk van bar. Met andere woorden: de stoombrandspuit kwam veel verder en hoger dan zijn voorganger. Bovendien waren er voor de bediening maar vier man nodig, die niet elk kwartier afgelost hoefden te worden.

In veel steden bleef de aanschaf van een stoombrandspuit nog lange tijd uit. Dit was puur een financiële kwestie; de overheid gaf in deze tijd amper geld aan het brandweerwezen uit. Vandaar dat de handpomp nog een lange tijd in dienst bleef. Daarnaast kampte de stoomspuit met wat 'kinderziektes'. Voordat het daadwerkelijke spuiten kon beginnen, moest er uiteraard eerst stoom gemaakt worden. Om de stoom te maken moest men eerst een vuurtje maken om de stookketel te verhitten. Dat leverde tijdverlies op. Al snel kreeg men door dat het slim was alvast wat hout in de stookketel klaar te leggen. Het hout werd op den duur vervangen door petroleum. Bij de beroepsbrandweerkorpsen hield met de stoomketels dag en nacht op een 'laag pitje', zodat de opwarmingstijd kort kon blijven.

Waar de oude handspuit werd vervoerd op een handwagen, was dat bij de stoomspuit niet te doen. De stoomspuit werd voortgetrokken door paarden. Uiteindelijk is ook het paard vervangen: de automobielspuit werd uitgevonden. Maar dat was pas veel later.

Het paard maakte dus zijn opmars bij de brandweer. Steeds meer materieel wordt 'rollend' gemaakt (van wielen voorzien) waardoor er steeds meer paarden nodig waren. Het takenpakket van de brandweerman breidde zich steeds meer uit. Behalve het onderhoud van de stoombrandspuit en ander materieel, moesten de paarden nu ook verzorgd worden. Het groeide de vrijwilligers en geaffecteerden allemaal een beetje boven de pet.

Steeds meer grote gemeentes besloten hierdoor om vaste mensen aan te stellen voor dit werk. Met andere woorden: de beroepsbrandweer werd geboren. Eén van de eerste beroeps-functies was die van brandwacht-koetsier. De koetsier was niet alleen belast met de verzorging van de paarden en het besturen van het voertuig, maar in geval van brand moest hij ook gewoon bluswerkzaamheden doen. Eenmaal bij een brand aangekomen, werd er iemand uit het publiek aangewezen om de paarden vast te houden. De mensen uit het publiek wilden dat graag doen: het leverde een beloning van drie kwartjes op en het beste plekje om naar de brand te kijken.

Het paard is altijd het 'troetelkindje' van de brandweer geweest. Ter illustratie: in Den Haag had de brandweer een paard in dienst dat 'Sjaantje' heette. 'Sjaantje' was een erg gemakkelijk, mak en volgzaam paard. Ze was alleen erg eenzaam op de kazerne en kon wel wat gezelschap gebruiken. En zo geschiedde. Er werd een bokje bij haar geplaatst en al snel zijn het vriendjes. Bok en paard bleven jaren onafscheidelijk, tot het overlijden van 'Sjaantje'. Tijdens het uitrukken (die dag waren er al 8 branden geweest en was er dus al 8 keer uitgerukt) stortte ze in elkaar en overleed. Het bokje was ontroostbaar.
 

 

De benzinemotor

autospuit

autospuit

Aan het tijdperk van de paarden als vervoersmiddel lijkt in 1910 een einde te komen. In sommige steden ging men over op autospuiten. Net als bij de overgang van de slangenbrandspuit naar de stoomspuit bleek ook op dit gebied het geld een grote rol te spelen. Vandaar dat het (goedkopere) gebruik van de paarden in vele steden nog niet voorbij is. Zo werden vaak wagens gekocht, die door paarden moesten worden getrokken, maar waarop een pomp was geplaatst, die aangedreven werd door een losse benzinemotor. Zo'n apparaat heette een motorspuit. Het is al wel zeer duidelijk dat de automobiel de toekomst heeft. Het principe van de autospuit is hetzelfde als die van de stoom- en motorspuit die door paarden getrokken werden, zij het dat het paard vervangen is door de automobiel.
De stoomspuit heeft het uitgehouden tot 1948.

Sommige steden hebben echter nooit een motorspuit gehad. De brandweer ging steeds meer het waterleidingnet gebruiken voor het aftappen van water. In 1874 was men al begonnen met de aanleg van het waterleidingnet en het werd steeds omvangrijker. Bijna overal werden brandkranen in de straten aangebracht op 50 tot 100 meter van elkaar.

De auto- en motorspuiten konden nu hun water betrekken uit zowel de grachten en sloten als de brandkranen op het waterleidingnet. Door met de krachtige pompen het water extra druk te geven, kon ook gemakkelijker over langere en vooral hogere afstanden worden geblust. De gebouwen werden namelijk ook steeds hoger. Tot op de dag van vandaag is de autospuit - in een veel modernere vorm dan de eerste exemplaren - het belangrijkste stuk gereedschap van de brandweer.
 

Brandmelding en verbindingen

Ook op het gebied van alarmeren veranderde een hoop. Vroeger was er een torenwachter die in geval van brand de (nood)klok luidde of de klepperman die met zijn ratel door de stad ging. Tot aan het begin van deze eeuw ging het zo. Maar de communicatiemiddelen ontwikkelden zich en daarmee ook de alarmeringmiddelen. De telefoon werd uitgevonden. Een grote stap voorwaarts. In de begintijd van de telefoon hadden maar een paar mensen zo'n apparaat in huis. Openbare telefoons waren er nog niet. Brak er brand uit, dan kon men bij particulieren thuis de brandweer bellen. De te draaien nummers waren met affiches op straat terug te vinden. Er waren vaste adressen waar je voor zo'n telefoontje terecht kon.

In de grote steden vond men dit niet genoeg: er werd een 'brandweertelegraaf' aangelegd. Wat hield de 'brandweertelegraaf' in?

 

Brandmelder
Brandmelder
Er werden op verschillende plaatsen in de stad en in de belangrijke gebouwen openbare brandmelders neergezet. Deze brandmelders waren op hun beurt weer aangesloten op een telegraafkamer in een brandweerkazerne, meestal de hoofdkazerne. De brandmelder kon in werking worden gesteld door een ruitje in te slaan of aan een touwtje te trekken. Vervolgens werd er door de brandmelder een morseteken doorgeseind naar de (hoofd) brandweerkazerne. Elke locatie had zijn eigen nummer, dat ook uit de morsetekens op te maken viel. De brandwacht-telegrafist wist hierdoor meteen waar de brand was en waarschuwde de dichtstbijzijnde brandweerkazerne.

De brandmeldingen kwamen door dit telegraafsysteem veel sneller binnen. Er kleefde echter ook een nadeel aan: veel 'burgers' maakten, voor de lol, misbruik van de openbare brandmelders. Dit gebeurde zo vaak dat de Haagse brandweer een speurhond in dienst nam om de 'lolbroeken' op te sporen en te bestraffen. Helaas heeft de hond nooit een 'lolbroek' kunnen vinden. Het telegraafsysteem was dus zeer nuttig, maar alleen weggelegd voor de grote steden. De kosten waren te hoog voor de kleinere steden. Langzaamaan wordt het telegraafsysteem vervangen door de telefoon, die wel betaalbaar begon te worden voor iedereen.
 

 

Bombardement van Schiphol
Bombardement van Schiphol
De tweede wereldoorlog

Op 10 mei 1940 vielen Duitse troepen Nederland binnen. Dit betekende voor Nederland het begin van de tweede wereldoorlog. Om vier uur 's ochtends werd Schiphol gebombardeerd door de Duitsers. De Amsterdamse brandweer rukte uit om te blussen, maar moest onderweg schuilen onder een viaduct omdat het bombardement nog in volle gang was. Toen het weer rustig was, reden de wagens door naar Schiphol. Het blussen kon beginnen. Ze waren nog maar nauwelijks bezig, of het volgende bombardement vond plaats. De eerste oorlogsdoden en –gewonden bij de brandweer vielen.

Ook de eerste materiële schade voor de brandweer valt te betreuren: in Rotterdam werd een Ahrens Fox (bluswagen) totaal verwoest en een aantal andere bluswagens zwaar beschadigd. Met kunst- en vliegwerk werden de beschadigde wagens weer opgelapt. Toen op 14 Mei weer een aanval werd ingezet, bleek dat toch wel de genadeklap. De Rotterdamse brandweer kreeg het het zwaarst. Rotterdam werd op 14 Mei, ten noorden van de Maas, zwaar getroffen. Vooral de voltreffer op de hoofdkazerne met alarmcentrale van de Rotterdamse brandweer maakte de blussers vleugellam. Een groot deel van het materieel was vernietigd of beschadigd en de brandweer had niet langer de beschikking over de voorraad blusgereedschap en dienstkleding. Ook de gehele brandweeradministratie ging in vlammen op.

Een ander probleem was dat door de bombardementen de waterleidingen kapot waren. Omdat de brandspuiten daar hun water vandaan haalden, werd het blussen nog moeilijker. Aloude problemen staken daarom weer de kop op; het water voor de brandspuiten moest weer uit grachten en open water opgepompt worden, waardoor panden die uit de buurt van het water liggen hopeloos verloren waren. Gelukkig kreeg de brandweer van Rotterdam steun van alle korpsen uit de buurt. Zo hielpen onder andere Den Haag, Schiedam, Delft, Vlaardingen, Haarlem en Amsterdam heldhaftig mee. Dankzij deze hulp waren de ergste branden in twee dagen geblust. Vanaf 17 mei ging de brandweer van Rotterdam verder met eigen materieel. In afgebrande pakhuizen bleven de voorraden erwten en tabak nog maanden smeulen.

De tweede stad die zwaar getroffen werd, was Middelburg. Ook hier leverde de brandweer een praktisch verloren strijd. De stad werd bestookt door de Duisters met granaten en al snel was Middelburg één grote vuurzee.

Op 19 Mei waren alle gevechten voorbij. Nederland is bezet door de Duitsers en vanaf dat moment begon, voor zover mogelijk, het 'normale leven' weer op gang te komen. De Duitse aanval had wel aangetoond dat de brandweer de organisatie moest aanscherpen. Veel bedrijven gaan dan ook over op een 'bedrijfsbrandweer' en de hulpbrandweer wordt aanzienlijk uitgebreid. Die hulpbrandweer was aan het einde van de dertiger jaren opgericht en onderdeel van de Luchtbeschermingsorganisatie. De hulpbrandweerlieden bestond uit vrijwilligers, maar tijdens de bezettingsjaren bleven de meesten op een arbeidscontract 'voor de duur van de oorlog' verbonden aan de luchtbescherming.

Vanaf 1941 werd geprobeerd om de Nederlandse brandweer om te vormen in het Duitse model. In 1942 werd er zelfs een rijksbrandweer gevormd. Het was de bedoeling om te komen tot een regiment Rijksbrandweerpolitie, waarvan de compagnieën verspreid zouden worden op de plaatsen, waar zij het meest nuttig werkzaam konden zijn. Volgens het Besluit Brandweerwezen van 12 december 1943 werd de brandweertaak een onderdeel van de politie en werden de gemeentelijke beroepsbrandweren van Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Haarlem, Groningen, Eindhoven en Arnhem omgevormd tot een staatsbrandweerpolitie. Al het beroepsbrandweerpersoneel ging in staatsdienst over. In alle andere gemeenten bleven de brandweerkorpsen zelfstandig, zij het onder toezicht van de Rijksinspectie van het brandweerwezen. De gemeenten werden ondergebracht in kringen en de kerngemeente van zo'n kring was verplicht tot het geven van brandweerhulp aan andere gemeenten in de kring. De beroepsbrandweren konden hun personeelsbestand uitbereiden. Door de demobilisatie van het Nederlandse leger (het leger werd zo goed als opgeheven) kwamen er veel werkkrachten ter beschikking. In eerste instantie zag de Duitse bezetter het belang van een goed functionerende brandweer wel in.

Zoals alle overheidsdiensten zat de brandweer tijdens de Duitse bezetting in een lastig parket. Waar trek je de grens tussen burgerplicht en hand- en spandiensten verlenen aan de bezetter? Echt gemakkelijk is het niet geweest, maar in de gelederen van de brandweer waren praktisch geen pro-Duitsers of NSB-leden te vinden. Zowel in de leiding als de manschappen werden deze lieden nauwelijks de kans geboden door de sollicitatie-procedures te komen. Daarentegen waren veel verzetsmensen wel in dienst van de brandweerkorpsen. De brandweer was dus over het algemeen 'goed' in de oorlog. Logisch gevolg was dat de brandweer alles deed, wat in hun macht lag, om het verzet te helpen. Maar hoe doe je dat? Juist, door op de geschikte momenten niets te doen. Een voorbeeld: in Den Haag brak een grote brand uit in het gebouw waar de bevolkingsregisters opgeslagen lagen. De brandweer trad daar, volgens de Duitsers, laks op. Verhalen gaan dat de brandweer hun waterstralen (met opzet) dusdanig richtten dat er van effectief blussen geen sprake was. Veel van het bevolkingsregister ging verloren.

In de eerste maanden van de bezetting had de brandweer dus een toeloop van personeel, maar na verloop van tijd veranderde dat. Veel mannen werden naar Duitsland gestuurd om daar te gaan werken. Anderen doken onder. Voor de overgebleven brandweermensen betekent dat langere diensten: twee maal 24 uur dienst en éénmaal 24 uur vrij.

Eind 1944 begon het grote offensief van de geallieerde strijdkrachten. Het spreekt voor zich dat in deze periode het aantal branden talrijk was. Een belangrijk probleem dat zich voordeed, was het tekort aan benzine. Met behulp van de nodige kunstgrepen wist de brandweer de blus- en reddingstaken te blijven doen. Op 5 mei 1945 is het eindelijk zover: vrede! Het einde van een periode van grote geestelijke druk is voorbij.
 

Na de oorlog

In 1945 werden de brandweerzaken energiek aangepakt. Op 26 juli werd de Nederlandsche Vereeniging van Brandweer Commandanten (N.V.B.C.) opgericht. Men vond dat de oude Koninklijke Nederlandsche Brandweer Vereeniging in de oorlogstijd ter ziele was gegaan. Onder de Minister van Binnenlandse Zaken werd de in de oorlog opgerichte inspectie voor het brandweerwezen omgevormd tot een deskundig adviesorgaan op het gebied van de brandweer. De hechte samenwerking van de NVBC en de inspectie voor het brandweerwezen leidde ertoe dat bij de brandweren in ons land meer uniform gewerkt kon worden. In Amsterdam werd de Rijksbrandweerschool opgericht. De eerste cursisten kregen een speciale opleiding voor instructeur. De brandweer kon eindelijk weer gaan opbouwen.

De inspectie voor het brandweerwezen ging er goed tegenaan. In gemeenten waar nog geen brandweerkorps was, werd er direct een opgericht. Veel gemeentes werkten echter niet zomaar mee. De herinnering aan de Duitse bezetting zorgde voor veel tegenstand ten opzichte van overheidsbemoeienissen. Veel brandweertechnici maakten zich desondanks sterk voor een groter georganiseerd apparaat. Zij dachten aan een organisatie op rijksniveau. Het kwam er niet van. Op 23 juni 1952 werd na veel overleg de nieuwe brandweerwet van kracht, waarin de zorg voor de brandweer weer bij de gemeente werd gelegd. De KNBV werd de vertegenwoordiger van de gemeentebesturen, de NVBC van de brandweertechnici en de rijksinspectie adviseerde iedereen en waakte over de kwaliteit van de brandweer. In de tweede helft van de vijftiger jaren nam de brandweer een enorme sprong voorwaarts. De rijksinspectie organiseerde op grote schaal cursussen en opleidingen voor het behalen van diploma's. Men ging zich steeds meer toeleggen op instructie, cursussen en brandpreventie. Er werden regionale samenwerkingsverbanden opgericht voor de organisatie van de opleidingen, oefeningen en wedstrijden. De brandweer ging zich ook steeds meer toeleggen op het verlenen van hulp aan burgers in nood, en niet alleen het blussen van branden.

Door de industriële ontwikkelingen werd de brandweer voor nieuwe problemen geplaatst. Het vervaardigen van kunststofprodukten als nylon en plastic maakt een enorme ontwikkeling door. Het vervoer van gevaarlijke stoffen die nodig zijn om deze produkten te maken, nam steeds grotere vormen aan. De brandweer moest moderniseren om deze ontwikkelingen bij te kunnen houden. Er kwamen speciale deskundigen voor ongevallen met gevaarlijke stoffen, die later ook speciale auto's en meetapparatuur kregen. Voor de hulpverleningen bij grote ongevallen moest meer materieel aangeschaft worden en dankzij de ontwikkelingen in de radiotechniek werd het ook mogelijk om alle voertuigen uit te rusten met mobilofoons en portofoons. Voor de coordinatie daarvan bij een grote inzet moesten dan weer speciale verbindings/commandowagens komen. Om al die grote uitgaven voor de brandweer binnen de perken te houden, werden regionale brandweren opgericht, die zorgden voor de alarmcentrales, verbindingen en voertuigen die gezamenlijk gekocht werden, zodat het voor de kleinere gemeenten betaalbaar bleef. In 1985 werden die regionale brandweren erkent in de nieuwe Brandweerwet. Tegelijkertijd kwam er ook een Rampenwet, waarin de regionale brandweren de opdracht kregen om de grootschalige rampenbestrijding mogelijk te maken. Dat was nodig, omdat de oorlogs-hulporganisatie Bescherming Bevolking (BB) werd opgeheven. Die BB beschikte voor het geval de derde wereldoorlog zou uitbreken over grote voorraden hulpgoederen en geneeskundig materiaal. Dat ging nu allemaal over naar de brandweerregio's. De geneeskundige hulpverlening werd een taak van de Gemeentelijke Gezondheidsdiensten. Kort geleden is begonnen met de reorganisatie van de geneeskundige hulpverlening, waarbij moderne inzichten in medische hulp een rol spelen.

Het hele stedelijke milieu veranderde. Er kwamen steeds hogere gebouwen, en het ontstaan van zogenaamde 'woonerven' en verkeersdrempels maakt het allemaal niet gemakkelijker. Daarnaast gaan er steeds meer mensen en goederen op weg in, boven, en binnenkort ook onder Nederland. Een scala van veranderingen waardoor steeds nieuwe eisen worden gesteld aan de brandweer, tot aan de dag van vandaag.